Schuilplaats

Gepubliceerd op 22 juli 2026 om 13:45

Ik herinner me de graafmachines. De modder. Het schurende geluid van de betonmolen. Er waren mannen, veel mannen, onafgebroken aan het werk, terwijl de muren hoger rezen.

Ik hoor de muziek. Een fanfare. Een luide stem die er met gemak bovenuit komt. Gejuich. Applaus. Voetstappen boven mijn hoofd, schuifelend over het marmer.

Ik zie de ruimtes zich vullen. Het geratel van typmachines. Juffrouwen die bij elkaar een sigaret bietsen. Die ze snel uitdrukken en in een laatje stoppen als hun chefs binnenkomen. Twee mannen lopen door de gangen. De een vult de ruimte. De ander volgt hem, steeds op een halve pas afstand.

Ik hoor hoe mannen in uniform hun adem inhouden als ze in een ruimte staan met een man met een snor. Hoe ze hem niet tegenspreken. Hun zuchten als de man de ruimte verlaat. Geroezemoes zwelt weer aan.

Ik beef als er boven mij doffe dreunen klinken. De telefoons gaan als alarmbellen af. Stof dwarrelt naar beneden. Het luchtfiltersysteem zoemt onafgebroken. De juffrouwen zijn opgehouden met typen. Ze houden het plafond in de gaten. Vragen elkaar hoe komen we straks naar huis. Is er nog wel een thuis.

Ik ruik zweet. Van wit ben ik een smoezelig grijs geworden, het vuil blijft aan me plakken. Niemand doet er iets aan. Het is vol. Te vol. Ambtenaren, telefonisten, secretaresses, hele families schuilen in de ruimtes. Kinderen rennen door de gangen, tot een volwassene er iets van zegt. Soms gaat het licht uit. Er klinken gilletjes van schrik. Hoelang zal het deze keer duren? Het luchtfiltersysteem zoemt nog maar af en toe.

Ik hoor de mensen hoesten. De lucht is zwaar, vol roet. Ik zie mannen in uniform zware ladekasten naar de gangen slepen. Juffrouwen lopen er met nog meer mappen achteraan. Alle inhoud wordt in ovens gepropt, in vuurkorven, of gewoon aangestoken.

Ik tril mee met de klappen die boven mij vallen. Het licht doet het nog maar af en toe. De olielampen laten lange, bibberige schaduwen vallen.

Ik ben besmeurd met bloed. Dokters en zusters zetten benen af, lappen soldaten op zodat ze weer weg kunnen. Huilende patiënten bijten op een houtje. Geschreeuw vermengt zich met ritmische dreunen van buiten. Het gaat allemaal dwars door me heen.

Ik zie dat het einde nadert. Rangen en standen zijn er niet meer. De wijnvoorraad sneuvelt. Het leven wordt huilend gevierd. Mensen trouwen, halen herinneringen op, maken plannen om hun angst te ontvluchten. Overal lege wijnflessen.

Ik hoor geruis. Buiten is het stil. Te stil. Binnen is het donker. De stroom is uitgevallen. Langzaam vullen de gangen zich met water. Er drijven doorweekte papieren, achtergelaten gasmaskers, weggegooide armbanden met een symbool erop. In de verte klinkt gebonk. Geknars. Deuren galmen open. Plonzende voetstappen. Mannen met geweren. Zoekende zaklampen. Onbegrijpelijke woorden, het klinkt anders dan anders. Het water stijgt.

Ik ben er nog. Ik vergeet niet. Ik bied een schuilplaats aan de echo’s van het verleden. Maar voor hoelang nog?

 

Bron: https://nos.nl/artikel/2623662-berlijn-wil-nazibunker-slopen-om-woningen-te-bouwen-historici-kritisch