Hij zwaaide zijn been over de stang en bleef met een voet nog even op de grond staan. Hij controleerde of de tas op de bagagedrager nog stevig vastzat. Toen zette hij zich af met zijn voet en kwam langzaam in beweging, de oprit af. Naar links, de straat uit, de wijk uit, naar de grote weg.
Een kwartier later stak hij zijn hand op naar het bord ‘Tot ziens in Apeldoorn’. Langs hem raasden aan de ene kant de auto’s voorbij, aan de andere kant stonden de koeien in de wei te herkauwen. Kedunk kedunk kedunk. De betonnen platen van het fietspad gaven het ritme aan. Hij richtte zijn blik op de horizon.
Het landschap veranderde. Soms waren er bossen met ruisende populieren. Hij fietste voorbij een zwemplas, maar het water was nog te koud om te zwemmen. Hij kwam langs boerderijen, waar hij soms stiekem op de hooizolder overnachtte.
De taal van de mensen veranderde. Hij kwam door plaatsen met rare namen, waar de huizen gepleisterd waren. Heel af en toe zag hij nog een auto met een geel nummerbord. In een dorpje parkeerde hij zijn fiets voor het raam van de bakker en ging naar binnen. Het belletje klingelde schel.
Een vriendelijke vrouw met bolle rode wangen kwam achter een vliegengordijn vandaan en vroeg: ‘Kann ich Ihnen helfen?’
Hij wist niet wat ze zei, hij had de taal nooit geleerd op school. Hij wees onbeholpen op een volkorenbrood achter haar.
‘Dieses? Drei euro bitte.’ Ze pakte het brood van de plank, wikkelde het in papier en legde het op de toonbank.
Hij haalde zijn portemonnee uit zijn achterzak, trok een briefje van tien eruit en gaf het aan de vrouw.
Ze wierp een onderzoekende blik op hem en opende de kassa om het wisselgeld te zoeken. ‘Sind Sie mit dem Fahrrad unterwegs?’ Ze legde zeven losse euromunten op de toonbank en wees door de winkelruit op zijn fiets.
Hij knikte kort, schoof de munten in zijn linkerhand en stopte ze in zijn broekzak. Met het brood onder de arm liep hij de winkel uit. Buiten trok hij een homp van het brood en deed de rest in zijn rugzak. Hij nam een hap en stapte op. Hij fietste almaar verder. De dagen begonnen op elkaar te lijken.
Fietspaden waren er veel minder in dit land. Bij elke auto die hem inhaalde, verwachtte hij geraakt te worden. Hij zocht zoveel mogelijk rustige landweggetjes uit, die hem steeds verder oostwaarts brachten. Hij had vooraf uitgezocht bij welke grenspost hij gemakkelijk over kon steken zonder gecontroleerd te worden.
De zon scheen volop. Vaak kon hij zijn jas uitdoen, zo warm was het. De wegen werden slechter, er zaten gaten in het wegdek. Soms kon hij ze niet ontwijken. Een keer schoof zijn wiel weg over een kiezelsteentje. Hij maakte een wilde zwaai naar links. Een tegenligger toeterde lang, hij kon net op tijd bijsturen en blijven zitten.
In een stad met een naam die hij niet kon uitspreken, werd hij overvallen door een regenbui. Hij zette zijn fiets vast aan een paaltje en schuilde in een bushokje. De plassen om hem heen werden steeds groter. Het werd donker. Verder fietsen had nu geen zin, niet in die regen. Hij pakte zijn deken uit zijn rugzak en maakte het zichzelf gemakkelijk op het bankje.
Hij viel in slaap. De tocht ging verder. Plots kwam er een fel licht op hem af. Een auto? Hij kon het niet zien. Hij probeerde opzij te gaan, maar de auto raakte hem. Met een schok opende hij zijn ogen en keek in het gezicht van een politieagent.