Water. Overal water. Alleen maar water. En toch, ineens, land. Geen wit strand, geen zand, geen kiezels. Rotsen met scherpe zigzag punten. Zacht, groen mos als landingsplek.
Een geknakte boom hangt met de kruin in het water. Zijn wortels zijn nog altijd met stenen vergroeid, trekken ze mee de diepte in, reikend naar de bodem die nooit dichterbij komt. Het mos wordt dunner, maakt plaats voor bramenstruiken waarvan de vruchten zijn verdwenen. Dieren lijken er niet te zijn.
Er is geen pad. Struiken en bomen wisselen elkaar af. Wortels kruipen over de grond, over elkaar heen, over uitstekende rotsen die wit oplichten. De bomen staan steeds dichter op elkaar. De einder verdwijnt. De wind speelt met de takken, krakend bewegen ze heen en weer. Kraaien blijven stil in de toppen zitten.
Geruisloos klieft de Mary Celeste door het water. Met een zachte ‘pok’ stoot ze tegen de rotsen. Een paar voetstappen landen gedempt op het mos. De man draait zich om en steekt zijn hand uit naar de vrouw. Aarzelend neemt ze zijn hand en laat zich omhoog hijsen. Op de kant trekt ze haar broek recht en blijft zijn hand vasthouden. Hij kijkt verwonderd om zich heen. Ze knijpt steeds harder in zijn hand, haar knokkels zien wit. Hij glimlacht naar haar, geeft een kneepje terug en begint te lopen.
Ze blijft staan. Kijkt naar het bootje. Kijkt naar hem. Dan zet ze zich in beweging. Hij is al voorbij de eerste lege bramenstruik. De doornen grijpen in haar broekspijp, ze rukt zich los. Het scheurende katoen doorklieft de stilte. Ze struikelt over een grote kei en kan zich nog net staande houden. Nee, schudt ze, nee. Ze wil niet verder.
Hij probeert haar over te halen, maar ziet dat het verspilde moeite is. Hij zwaait nog even, draait zich om en duwt een paar takken aan de kant zodat hij verder kan. De bomen staan steeds dichter op elkaar. Het licht wordt schemerig, de stilte hangt zwaar om hem heen. Mistdruppeltjes blijven aan zijn wimpers hangen. Zijn armen zitten vol krassen en schaafwonden.
Het licht is nu bijna verdwenen. Hij haalt zijn telefoon tevoorschijn en schakelt de zaklamp aan. Overal waar hij kijkt: bomen, takken, struiken, doornen, wortels, stenen. Ze komen steeds dichter naar hem toe. Uit zijn broekzak haalt hij zijn zakmes, klapt het open en kerft houterig zijn naam in de bast rechts van hem. Roan, staat er. Tevreden schijnt hij zijn zaklamp op zijn handwerk.
Er klinkt luid gekraak vanaf de plek waar ze daarstraks aan land gekomen zijn. Hij laat zijn telefoon vallen, het duister slokt de zaklamp op. Een zwaar gerommel lijkt uit de grond omhoog te komen. Razendsnel draait hij zich om en begint zich een weg terug te banen naar haar. Boven zijn hoofd krijst een kraai.
Water. Overal water. Alleen maar water. En toch, ineens, een bootje. Leeg.