Parel

Gepubliceerd op 29 augustus 2026 om 15:24

Johannes Vermeer, 1665

‘Is het nu bijna af, Vermeer?’ vraagt Van Ruijven bars als hij het atelier binnenloopt. ‘Je schulden blijven oplopen.’

Vermeer doopt zijn penseel in de witte verf op zijn palet. Geconcentreerd brengt hij een streek aan op de oorbel. Dan doet hij een stap naar achteren.

Daar. Daar is ze.

De blauwe tulband.

De oorbel.

De groene achtergrond.

En die ogen…

Van Ruijven kucht. ‘Dit is het?’

Vermeer glimlacht en knikt.

‘Wie is het?’

Verbaasd maakt de schilder zijn ogen los van de blik van het meisje. ‘Hoe bedoel je, wie? Zij, zij is het.’

‘Ik had wat meer verwacht dan weer zo’n tronie, Vermeer.’

‘Ik heb anders wel ultramarijn gebruikt.’ Hij wijst naar de tulband. ‘Duurder dan goud, Van Ruijven!’

Van Ruijven haalt zijn schouders op. ‘De volgende keer zie ik liever iets wat ik herken.’

-----

Grietje en Lijsbeth, 1749

Lijsbeth zet haar handen op haar heupen. Hangt het scheef? Misschien net een stukje?

‘Hé, niet zo dromen, jij,’ lacht Grietje en ze gooit haar stofdoek naar Lijsbeths hoofd.

Lijsbeth duikt weg. ‘Mis. Het hangt niet helemaal recht, of wel?’

Grietje komt naast haar staan en houdt haar hoofd schuin. ‘Dat schilderij? Niks mis mee.’

Lijsbeth stoot haar aan. ‘Wel als je er goed voor staat.’ Ze doet een stap naar voren en schuift het schilderij aan de linkerkant een stukje omhoog.

‘Ja, zo is het toch beter. Al is het een lelijk portret, als je het mij vraagt.’

Lijsbeth draait zich met opgetrokken wenkbrauwen om. ‘Waarom?’

‘Ze kijkt zo ongelukkig.’ Grietje trekt haar neus op. ‘Alsof ze bijna gaat huilen. Maar dat zou ik denk ik ook doen, in zo’n smoezelig schilderij.’

‘Grapjas. Ik vind haar blik juist mysterieus.’ Lijsbeth kijkt geconcentreerd in de ogen van het meisje op het schilderij. ‘Wie zou ze zijn?’

‘We hebben helemaal geen tijd om ons af te vragen wie ze was. En het interesseert me ook niet.’

Lijsbeth heeft haar niet gehoord. ‘Ik denk dat ze een oosterse prinses was. En ze had vast een rijke man. Zie je die parel? Maar ze hield niet van die man. Ze had haar oog laten vallen op een bediende in het paleis. En haar man wist dat en stuurde die bediende weg. En daarom kijkt ze misschien ongelukkig. Heb je toch gelijk.’

Grietje lacht. ‘Jouw fantasie is grenzeloos. En die parel is echt nep.’

-----

Arnold Des Tombe, 1881

Sinds hij het herkend heeft, zit zijn hart hoog in zijn keel, alsof het probeert te ontsnappen. Ze hebben het niet gezien. Hij veegt zijn klamme handen af aan zijn broek. Het is ook lastig te herkennen. De blauwe tulband is vergrijsd, de oorbel heeft haar glans verloren. Het was de blik van het meisje die hij herkende. Het kan niet anders dan dat er dan een bekende naam in de linkerbovenhoek tevoorschijn komt, als hij het laat schoonmaken.

‘Het volgende schilderij is een tronie door een onbekende meester. Helaas in slechte staat,’ begint de veilingmeester.

Hij durft bijna geen adem te halen.

‘Wie biedt er twee gulden?’ vraagt de veilingmeester.

Zijn hand schiet de lucht in.

‘Twee gulden voor meneer Des Tombe. Wie biedt meer?’

Des Tombes ogen spieden door de zaal.

‘Twee gulden. Wie biedt er twee gulden vijftig?’

Gaat daar toch een hand de lucht in?

‘Twee gulden. Niemand meer dan twee gulden?’

Het was een schijnbeweging. Hij zucht.

‘Eenmaal…’

Zweet parelt op zijn voorhoofd.

‘Andermaal…’

Hij schuift naar het puntje van zijn stoel.

‘Verkocht voor twee gulden aan meneer Des Tombe.’

-----

Abraham Bredius, 1902

Een klop op de deur van zijn kantoor. Hij had toch gevraagd om niet gestoord te worden? Terwijl hij wil antwoorden, gaat de deur al open. Een lange man, hoed in de hand, een klein bruin pakket onder de arm, stapt binnen.

‘Bredius, mijn excuses,’ zegt de man vriendelijk. Hij legt zijn hoed op het bureau, zet het pakket ertegenaan en haalt dan een kaartje uit zijn binnenzak dat hij Bredius overhandigt.

Jonkheer J. A. Schorer, leest Bredius.

Vast weer een adellijke die aan de grond zit en nu de kunst duur wil verkopen, denkt hij.

Als hij opkijkt, ziet hij dat Schorer nog steeds tegenover hem staat. Snel gebaart Bredius hem te gaan zitten.

‘Dank u. Het spijt me dat ik zo onaangekondigd bij u langskom. Ik heb iets voor u.’

Zie je wel, daar begint het al. Nu komt er vast een werk het niveau van het Mauritshuis onwaardig. Bredius fronst zijn wenkbrauwen.

Uit zijn binnenzak tovert Schorer nu een brief, geadresseerd aan De directeur van het Mauritshuis. De frons op Bredius’ voorhoofd verzacht, verbaasd pakt hij de envelop aan. Met een mes wipt hij het zegel omhoog en vouwt de brief open. Van Des Tombe, ziet hij. Zijn ogen schieten over de regels. Even blijven zijn ogen haken aan een zin. Langzaam zakt zijn mond open. Heeft hij dit goed gelezen? Hij schudt zijn hoofd. Nee, dat kan niet, het ging te snel. Bredius begint weer van voren af aan te lezen. In een mum van tijd is hij weer bij de handtekening van Des Tombe aanbeland. Als hij opkijkt, ziet hij dat Schorer hem onderzoekend aankijkt.

Hij schudt met de brief. ‘Is dit echt?’

‘Zeker. De handtekening van Des Tombe staat eronder.’

Bredius kijkt weer naar de brief, zoekt een zin. ‘Maar…’

‘Des Tombe is eerder deze week overleden. Het was zijn wens om deze twaalf werken aan het Mauritshuis te schenken.’

Zijn mond is droog. ‘Dus ook… ook haar?’

‘Haar?’ vraagt Schorer met een glimlach. ‘Wie bedoelt u?’

‘De meisjeskop van Vermeer.’ Zijn stem klinkt schor.

‘Ah, u bent bekend met de tronie?’

Bredius knikt. Zijn hart klopt in zijn keel.

Schorer buigt zich voorover naar het pakket dat hij tegen het bureau heeft gezet. ‘Dat treft. Ik heb het maar vast meegenomen.’ Voorzichtig wikkelt hij de bruine lappen van het schilderij.

De blauwe tulband.

De oorbel.

Vluchtig ziet Bredius de handtekening in de linkerbovenhoek: IVERMEER. Dan vinden zijn ogen de hare. Zijn blik wordt troebel.

-----

Tracy Chevalier, 1996

Alsof ze een afspraakje heeft met een potentiële nieuwe liefde. Zo voelt ze zich vandaag. Vanochtend heeft ze haar lievelingsjurkje aangetrokken, haar lippen gestift, haar kleine pareloorbellen in haar oren gestoken. Het ontbijt heeft ze overgeslagen, ze krijgt toch geen hap door haar keel. Hoe zou haar blik staan vandaag?

Het is druk in het Mauritshuis. Te druk. Ze wordt van zaal naar zaal bewogen. Als ze niet af en toe terug zou duwen, zou ze zo weer buiten staan. Nog twee zalen. Nog één. Haar maag draait zich verder in een knoop.

Ze doet een stap over de drempel, houdt haar blik expres naar beneden gericht. Ze wil nog niet. Die eerste blik, dat kan maar één keer. Dat moet perfect zijn. Pas als ze haar recht kan aankijken, zal ze haar hoofd oprichten. Vier stappen zet ze. Ze ademt diep in en uit. Dan richt ze haar hoofd op. Haar blik botst tegen achterhoofden.

Ze wordt opzij geduwd door andere bezoekers, ziet dan een gaatje en wringt zichzelf een rij naar voren.

De blauwe tulband.

Haar hart slaat een slag over.

Ze duwt nu zelf mensen opzij, verontschuldigt zich niet. Het kan haar niet schelen, ze moet naar voren. Wat flikkerde daar? Was dat de parel? Nog één stap en ze staat helemaal vooraan. Gretig slaat ze haar ogen op. Het rumoer om haar heen lijkt te verstommen, geklik van fototoestellen hoort ze niet meer. Haar ogen haken in de blik van het meisje.

Daar. Daar ben je.

Ze voelt haar lip trillen en slikt. Wat is het toch met Meisje met de parel dat haar zo raakt? Wie was ze? Een exotische, rijke vrouw? Van adel? Nee, dat voelt niet goed.

Het meisje kijkt haar uitnodigend aan.

‘Wie ben je?’ fluistert ze.

-----

Nijntje, 2026

Het zweet loopt zijn bilnaad in. In dit pak kan hij er niet bij, hij schudt zijn wollige achterwerk om de jeuk te verlichten. Dan valt zijn oog op de bewakingscamera. Zijn staart valt stil.

Toen het uitzendbureau hem een baantje bij de Vermeer tentoonstelling aanbood, dacht hij eigenlijk aan een plek als suppoost, in een zaal, waar hij ongestoord de hele dag kon zitten. Dat hij hier nu zou staan als Nijntje, verkleed als Het Meisje met de Parel, had hij niet kunnen bedenken. Gelukkig kan niemand hem herkennen.

Zo meteen is deze zaal helemaal vol met fotografen. Niet voor hem, maar voor prinses Aiko. En voor haar. Maar nu kan hij in alle rust zijn spiegelbeeld bekijken, zonder achterhoofden in zijn blikveld en schouders die hem wegduwen. Hij wil weten, voelen, begrijpen. Hij doet een stap dichter naar het Meisje toe.

Daar is ze.

Een blauwe tulband.

Hij trekt zijn neus op. Beetje vaal, die van Nijntje is veel blauwer.

Haar blik.

Zouden haar ogen hem volgen? Hij beweegt naar links, dan naar rechts, maar haar blik staat stil. Stil en… Ja, wat? Is ze verdrietig? Verleidelijk? Mysterieus? Onschuldig?

Nietszeggend.

Hij schudt zijn hoofd.

Dan vinden zijn ogen de parel.

Maar één parel. Nijntje heeft er tenminste twee.

 

Bron: https://nos.nl/artikel/2627724-rijen-in-japan-voor-meisje-met-de-parel-wordt-hier-bijna-als-iets-heiligs-gezien
Losjes geïnspireerd door Het lied van ooievaar en dromedaris van Anjet Daanje.